Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Hongaars verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie en syntaxis en pragmatiek. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Hongaars als moedertaal, hoeft dat dus per se niet te wijzen op een TOS.
FonologieHet Nederlands kent klanken die het Hongaars niet kent, waardoor een Hongaarse moedertaalspreker uitspraakproblemen kan hebben met onder andere de [ɳ], [ç], [x] of [χ]. Ook bestaan er geen diftongen in het Hongaars. Hiernaast is het verschil tussen de [w] en [v] in het Hongaars minimaal, waardoor moedertaalsprekers hier moeite mee kunnen hebben. Als laatste ligt de klemtoon in het Hongaars altijd op de eerste lettergreep, terwijl dit in het Nederlands bijna altijd de voorlaatste lettergreep is. MorfologieOmdat het Hongaars een agglutinerende taal is, bestaan er heel veel suffixen, die niet allemaal in het Nederlands bestaan. Een kind zal moeite kunnen hebben met de “losse” grammaticale informatie. In het Hongaars is er geen grammaticaal geslacht, dus er is geen verschil tussen “hij/zij” of “hem/haar”. Daarnaast blijft een zelfstandig naamwoord enkelvoudig met een meervoudig telwoord, waardoor een kind dit in het Nederlands ook zou kunnen doen. SyntaxisHet zou kunnen dat een Hongaarse moedertaalspreker moeite heeft met de SVO-volgorde van een hoofdzin in het Nederlands, hij maakt er waarschijnlijk altijd SOV van. Daarnaast zal een kind moeten leren met de klemtoon betekenisverschil aan te geven, in plaats van met woordvolgorde. Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenHongaarse moedertaalsprekers met een TOS hebben vaak problemen met de grammaticale morfologie. Daarom kan het volgende gevraagd worden: - Heeft het kind moeite met het gebruik van de juiste naamvallen?- Heeft het kind moeite met het juist aanduiden van de tijd?- Maakt het kind fouten met het getal van werkwoorden (Het zegt bijvoorbeeld “Je loopt” in plaats van “jullie lopen” in het Hongaars)?
1. Algemene informatie over het Hongaars
Het Hongaars (Magyar) behoort tot de Finoegrische taalfamilie en is onder andere verwant aan het Fins en het Ests. In 2005 werd de taal door ongeveer 14,5 miljoen mensen gesproken, waarvan 4 miljoen buiten Hongarije. Het Hongaars is de grootste taal in Europa die niet lid is van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe de meeste Europese talen behoren (Fenyvesi 2005: 11).
Het is een officiële taal in Hongarije en Slovenië. Het Hongaars is tevens een regionale taal in Oostenrijk, Servië en Roemenië en wordt door minderheden gesproken in Australië, Canada, Kroatië, Tsjechië, Israël, Rusland, Slowakijë, Oekraïne en de Verenigde Staten. Het Hongaars heeft verschillende dialecten, waarvan de meeste goed onderling verstaanbaar zijn. Sprekers van de standaardtaal hebben echter moeite om het Oberwart dialect dat in Oostenrijk wordt gesproken en het Moldavian Csángó dialect dat in Roemenië wordt gesproken, te begrijpen (Lewis 2009).
Het Hongaarse alfabet is een uitbreiding van het Latijnse alfabet en bestaat uit 44 letters. Behalve de letters die we in het Nederlands kennen, worden in het geschreven Hongaars ook de letters á, cs, dz, dzs, é, gy, í, ly, ny, ó, ö, ő, sz, ty, ú, ü, ű en zs gebruikt. De relatie tussen het geschreven en gesproken Hongaars is erg regelmatig: elk grafeem (letter) kan aan één foneem (klank) gekoppeld worden. Er zijn slechts enkele uitzonderingen op deze regel (Baddeley & Voeste 2012: 321).
2. Specifieke informatie over het Hongaars
Fonologie
Het Hongaars heeft 14 klinkers en 25 medeklinkers. De klinkers kunnen onderverdeeld in lange klinkers en korte klinkers (Kornai 1986: 15).
Tabel 1. Klinkers
kort
a [ɑ]
e [ɛ]
i [ɪ]
o [ɔ]
u [ʏ]
ü [u]
ö [ø]
lang
á [a:]
é [e:]
í [i:]
ó [o:]
ú [y]
ű [u:]
ő [ø:]
De enige klinker die het Nederlands wel heeft en die niet in het Hongaars voor komt is de schwa [ə]. Het Hongaars kent wel opeenvolgende klinkers, maar deze worden niet als een tweeklank (diftong) uitgesproken. Hongaarse sprekers zullen dus moeite hebben met Nederlandse woorden zoals: 'ijs' ( [ɛɪ]) 'huis' ( [œy]) 'zout' ([ɑu]), 'neus' ([øʏ]) maar ook met 'beet' ([eɪ]) en 'boot' ([oʊ]) (Rietveld en Van Heuven 2009; 70).
De medeklinkers van het Hongaars zijn de volgende (Kornai 1986: 15):
Tabel 2. Medeklinkers
labiaal
alveolair
post-alveolair
palataal
velair
glottaal
nasaal
m
n
ɲ
plosief
p b
t d
c ɟ
k g
affricaat
ts dz
ʧ ʤ
cç ɟʝ
fricatief
f v
s z
ʃ ʒ
h
triller
r
approximant
l
j
Er zijn veel medeklinkers die in het Nederlands voorkomen en die het Hongaars niet heeft. Het gaat bijvoorbeeld om de [ŋ] als in ‘eng’ en de stemloze [ç], [x] of [χ] als in ‘acht’ of de stemhebbende [ɣ] of [ʝ] in ‘geeuw’. Ook kent het Nederlands veel meer verschillende varianten van de ‘r’, zoals de klopper [ɾ], de ‘stemhebbende g’ die wordt uitgesproken als [ʁ], de triller [ʀ] of de ‘Gooische’ [ɹ]. Verder komt de [w] of [ʋ] als in ‘wang’ niet voor in het Hongaars. Met name dat laatste verschil kan problemen opleveren. De stemhebbendheid van de [v] is in het Hongaars veel duidelijker hoorbaar dan in het Nederlands, waardoor de uitspraak dichter aanlicht tege die van de [w]. Hierdoor hebben Hongaarse sprekers moeite met het onderscheid tussen bijvoorbeeld de Nederlandse woorden 'wang'en 'vang'.
Klinkerharmonie
Net als het Turks en het Fins, wordt het Hongaars gekenmerkt door het verschijnsel van klinkerharmonie. Dit houdt in dat de klinkers binnen een woord ofwel allemaal voorklinkers of allemaal achterklinkers zijn. De zogenaamde voorklinkers worden voorin de mond uitgesproken, het gaat om de [i], [y], [e], [ø], [ɛ], [a] (Nederlands: ie, uu, ee, eu, è, aa). Voor de achterklinkers geldt dat de articulatie ervan achterin de mond plaats vindt. De achterklinkers van het Hongaars zijn de [u], [o], [ɔ], [ɑ] (oe, oo, ò, à). De klinkers [i] en [ɪ] kunnen zowel met voor- als met achterklinkers voorkomen (Kornai 1986: 29).
Tabel 3. Klinkerharmonie
Hongaars
klinkers
Nederlands
voorklinkers
üdvözlettel
[y], [ø], [ɛ]
groetjes
achterklinkers
találkoztunk
[ɑ], [ɔ], [u]
voldoen
Er zijn ook uitzonderingen met betrekking tot de regel van de klinkerharmonie, het gaat dan voornamelijk om samengestelde woorden en leenwoorden.
Klemtoon
In het Hongaars ligt de klemtoon altijd op de eerste lettergreep. Dit patroon wijkt af van het Nederlands waar de klemtoon meestal op de voorlaatste lettergreep ligt. Een- en tweelettergrepige woorden zullen daarom weinig problemen opleveren voor Hongaarse sprekers. In deze woorden is de voorlaatste lettergreep ook de eerste lettergreep. Meerlettergrepige woorden kunnen lastig zijn. Polítie wordt dan uitgesproken als pólitie. Studénte als stúdente.
Morfologie
Agglutinerende taal
Het Hongaars is een agglutinerende taal. Dit betekent dat de meeste grammaticale informatie wordt gegeven door suffixen. De suffixen met verschillende kenmerken (congruentie, ontkenning, modaliteit, tijd- en aspectmarkering) worden aan een woord gekoppeld. Er kan op deze manier met weinig woorden – of zelfs met slechts één woord – een hele zin ontstaan. Voor de verbuiging van een woord kunnen minstens 34 verschillende suffixen gebruikt worden (MacWhinney 1976).
Tabel 4. Agglutinatie
Hongaars
Nederlands
ház
huis
ház-ikó
huisje
ház-ikó-k
huisjes
ház-ikó-k-ban
in huisjes
Suffixen en klinkerharmonie
Zoals hierboven genoemd kent het Hongaars klinkerharmonie en bestaan woorden uit alleen voorklinkers of alleen achterklinkers. De suffixen passen zich aan volgens deze regel. Ze kunnen alleen klinkers hebben van de klankcategorie waartoe het voorgaande woord behoort. Elke suffix kent daarom ook twee vormen.
Tabel 5. Suffix -ben/-ban = in
Hongaars
Nederlands
voorklinkers
kert-ben
in de tuin
achterklinkers
ház-ban
in het huis
Grammaticaal geslacht
In het Hongaars wordt geen onderscheid gemaakt in grammaticaal geslacht, zoals in het Nederlands wel wordt gedaan. Het woord ‘ő’ kan 'hij', 'zij' of 'het' betekenen en of het om een jongen of een meisje gaat moet uit de context worden opgemaakt.
Voorbeeld 1. Persoonlijk voornaamwoord
ő szép – hij/zij/het is mooi
Voorbeeld 2. Lidwoord
a ház – het huis
a szoba – de kamer
Voorbeeld 3. Verbuiging werkwoord
kér – hij/zij vraagt
Voorbeeld 4. Bijvoeglijk naamwoord
szép férfi/nő – een mooie man/vrouw
szép gyermek – een mooi kind
Lidwoorden
In het Hongaars is er alleen verschil tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden. Er zijn twee vormen voor het bepaalde lidwoord, afhankelijk van of het zelfstandig naamwoord met een klinker of een medeklinker begint (Kenesei Vago en Fenyvesi 1998: 94). Het onbepaalde lidwoord wordt vaak weggelaten (p. 59).
Voorbeeld 5. Bepaald lidwoord
a ház – het huis
az asztal – de tafel
Voorbeeld 6. Onbepaald lidwoord
egy ház – een huis
Omdat het Hongaars geen grammaticaal geslacht kent, is er ook geen onzijdig bepaald lidwoord. Het zou dus kunnen dat sprekers van het Hongaars moeite zullen hebben met het aanleren van 'het' in het Nederlands en 'de' overgeneraliseren.
Meervoudsvorming
Het Hongaars heeft net als het Nederlands een meervoudssuffix. Als van een enkelvoud een meervoud wordt gemaakt, komt er een –k achter (Kenesei Vago en Fenyvesi 1998: 254).
De meervoudssuffix heeft vijf allomorfen (varianten), namelijk –k, -ok, -ak, -ek en –ök. De vorm wordt bepaald door de laatste klank van het enkelvoud en de klinkers waaruit het woord bestaat (Rounds & Sólyom 2002: 17).
Voorbeeld 7. Meervoudsvorming
fiú - jongen
fiuk - jongens
könyv - boek
könyvek - boeken
In tegenstelling tot in het Nederlands blijft een woord enkelvoudig wanneer er een zogenaamde kwantor (bijvoorbeeld een telwoord) aan vooraf gaat.
Voorbeeld 8. Kwantor en meervoudsvorming
öt fiú – vijf jongen(s)
ott van három diák (er zijn drie studenten, letterlijk: er is drie student)
sok könyv – vele boek(en)
Iets wat altijd in het meervoud voorkomt, hoeft ook niet in het meervoud te worden aangeduid. Dit geldt voor de 'mass nouns', zoals 'melk' en 'suiker', maar ook voor bijvoorbeeld 'ogen'.
Voorbeeld 9. Woorden die altijd in het meervoud voorkomen tej - melk cukor - suiker szem - oog/ogen
Naamvallen
Het Hongaars heeft een complex naamvalssysteem van vormen die een grammaticale of semantische relatie aangeven (Megyesi 1998, Kenesei, Vago & Fenyvesi 1998: 192, Spencer 2008).
Tabel 6. Grammaticale naamvallen
naamval
suffix
betekenis
Hongaars
Nederlands
nominatief
ember
persoon
accusatief
-(o/e/ö)t
lijdend voorwerp
(látok egy) embert
(ik zie) een persoon
datief-genitief
-nak/nek
indirect object, bestemming
(könyvet adtunk) a embernek
(we geven een boek) aan de persoon
Tabel 7. Locatieve naamvallen
Betekenis
naamval
suffix
Hongaars
Nederlands
positie
in, binnen
inessief
-ben/-ban
házban
in huis
aan, op, bij
adessief
-nál/nél
háznál
bij het huis
gepositioneerd op
superessief
-(e/o/ö)n
házon
op het huis
in (plaats)
locatief (oude vorm)
-t/-(o/e/ö)tt
Pécsett
in Pécs
naderend
erin/naar binnen
illatief
-ba/-be
házba
het huis in
erheen, ernaartoe, erop
allatief
-hoz/-hez/-höl
házhoz
naar het huis toe
op/naartoe
sublatief
-ra/-re
házra
het huis op
verlatend
eruit gaan
elatief
-bol/-ből
házból
uit het huis
er vanaf/vandaan gaan
ablatief
-tól/-től
háztol
bij het huis vandaan
uit, vanaf
delatief
-ról/-ről
házról
vanaf de tafel
Tabel 8. Semantische naamvallen
naamval
suffix
betekenis
Hongaars
Nederlands
causaal-finaal
-ért
doelstelling (vanwege)
(elküldtem a boltba) kenyérért
(ik stuurde hem naar de winkel) voor brood
instrumentalis
-(v)al/-(v)el
(door) middel (van)
házzal
door middel van/met een huis
translatief
-(v)á/-(v)é
verandering in
házzá
verandering in een huis
comitatief
-stul/-(e/ö)stül/-ostul
samen met
házastul
met een huis en zijn onderdelen
essief
-ul/ül
manier/gemoedstoestand
emberül
als een man
modaal
-lag/-leg
modaliteit en evidentialiteit
valószínűleg
(kans) waarschijnlijk
essief-modaal
-n/an/en
manier
halkan (beszélgetünk)
(we spraken) zacht
formeel
-képp(en)
manier
(következés) következésképpen
(opvolging) dus
essief-formeel
-ként
manier (functie/rol/persoonlijkheid)
emberként
in de gedaante van een man
temporeel
-kor
tijdsbepaling
ötkor
om vijf uur
terminatief
-ig
grensbepaling
ötig
tot vijf
multiplicatief
-szor/-szer/-ször
aantal keer
hétszer
zevenmaal
iteratief
-(o)nta/-(e/ö)nte
herhalend
hetente
wekelijks
distributief
-(o/e/ö)nként
per
hetenként
per week
Werkwoorden
Congruentie met het onderwerp
Hongaarse werkwoorden bestaan uit een stam, gevolgd door een suffix om de tijd of wijs aan te geven, gevolgd door een suffix om de persoon en het aantal (enkelvoud/meervoud) aan te geven. Er zijn drie tijden in het Hongaars: tegenwoordige tijd, verleden tijd en toekomende tijd. In de tegenwoordige tijd wordt een suffix weggelaten (-Ø-) en voor de verleden tijd wordt de suffix -t- gebruikt. De toekomende tijd wordt in het Hongaars gemaakt met het hulpwerkwoord 'fog'.
Het Hongaars kent een aantonende, een aanvoegende en voorwaardelijke wijs. De aantonende wijs heeft zoals gezegd een tegenwoordige en een verleden tijd. De aanvoegende wijs, die tevens gebruikt wordt als gebiedende wijs, wordt gemarkeerd door de suffix -j-. De voorwaardelijke wijs heeft de suffix -n- en wordt gebruikt voor beleefde verzoeken (Megyesi 1998).
Voorbeeld 11. Aantonende, aanvoegende en voorwaardelijke wijs
ír-j-am – schrijven-SJV-SG:DEF – laat ik schrijven
ír-n-am – schrijven-COND-1SG:DEF - ik zou schrijven
Net als in het Nederlands past het werkwoord zich aan aan het onderwerp in aantal en persoon (Beuls 2011). In werkwoordsvervoeging spelen de suffixen voor persoon een centrale rol omdat het Hongaars een pro-droptaal is. Dit houdt in dat het persoonlijk voornaamwoord kan worden weggelaten en alleen gebruikt wordt om nadruk te leggen. De suffix voor tijd/wijs en de suffix voor persoon passen zich aan elkaar aan (Megyesi 1998).
Voorbeeld 12. Suffix voor persoon
(SG = enkelvoud, PL = meervoud, DEF = bepaald)
ír-om – schrijven-1SG:DEF – ik schrijf
ír-od – schrijven-2SG:DEF – jij schrijft
ír-játok – schrijven-2PL:DEF – jullie schrijven
Ook bij werkwoorden heb je twee verschillende vormen van suffixen volgens de regel van de klinkerharmonie. Voor enkele stammen, met klinkers ü of ö, is er nog een derde vorm.
Voorbeeld 13. Klinkerharmonie
(SG = enkelvoud, INDEF = onbepaald)
kérek – vragen-1SG:INDEF = ik vraag
várok – wachten-1SG:INDEF = ik wacht
ülök – zitten-1SG:INDEF – ik zit
Congruentie met het lijdend voorwerp
De DEF in voorbeeld 12 en 13 staat voor definiet of bepaald, INDEF staat voor onbepaald. In het Hongaars past het werkwoord zich niet alleen maar aan aan het onderwerp, maar ook aan het lijdend voorwerp. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen bepaald en onbepaald. Elke suffix voor persoon heeft een bepaalde en een onbepaalde vorm. Dit verschijnsel bestaat niet in Indo-Europese talen, zoals het Nederlands (Beuls 2011).
ír-ok egy könyv-et – schrijven-1SG:INDEF een boek-ACC – ik schrijf een boek
ír-om a könyv-et – schrijven-1SG:DEF het boek-ACC – ik schrijf het boek
Syntaxis
Woordvolgorde
Het Hongaars is een zogenaamde 'SOV-taal‘ waarbij het subject gevolgd wordt door het object en vervolgens het werkwoord. Het Hongaars heeft in principe een vrije woordvolgorde. Dit betekent dat er veel verschillende woordvolgordes mogelijk zijn, maar deze betekenen niet exact hetzelfde. Er zijn kleine betekenisverschillen, die in het Nederlands vaak met een verschil in klemtoon worden aangegeven.
Voorbeeld 15. Mogelijke woordvolgordes
Daniel Ágit látja – SOV
Daniel látja Ágit – SVO
Ágit látja Daniel – OVS
Látja Daniel Ágit - VSO
Voorbeeld 16. Betekenisverschillen bij andere woordvolgorde
El-aludt Sára of Sára el-aludt.
Weg-sliep Sára
‘ Sára viel in slaap’.
Sára aludt el. Sára sliep weg. ‘Het was Sára die in slaap viel’.
Het element dat de focus krijgt, wordt direct voor het werkwoord geplaatst (o.a. Babarczy, 2006). En het voorzetsel staat in dit geval achter het werkwoord. Sommige elementen staan altijd voor het werkwoord. Bijvoorbeeld het vraagwoord en de negatie. De plaats van de negatie in het Hongaars kan voor transferfouten zorgen. Zinnen als ‘Niet kom ik’ kunnen in de uitingen van een Hongaarse spreker van het Nederlands voorkomen.
Voorbeeld 17. Woordvolgorde bij negatie Nem ugrottak be a víz-be. Niet springen zij in het water. ‘Zij sprongen niet in het water (maar bleven op de boot).’
Voor de volgorde van woorden/suffixen binnen een constituent bestaan vaste regels. Kinderen met een normale taalontwikkeling maken maar weinig fouten met deze volgorde (MacWhinney; 1976).
Relatieve bijzinnen
In het Nederlands moet je uit de woordvolgorde opmaken om wat voor soort bijzin het gaat en of de bijzin betrekking heeft op het subject of het object:
Het woord ‘die’ uit het onderstaande voorbeeld is een ambigue woord. Je kunt niet aan het woord zelf zien of het bij ‘de hond’ hoort of bij ‘de geit’.
Voorbeeld 18. Relatieve bijzin Nederlands
De hond die over de geit springt, blaft hard.
Deze bijzin heeft betrekking op het subject en drukt een actie van het subject uit.
In het Hongaars zijn er relatief persoonlijk voornaamwoorden die deze relatie wel uitdrukken (Kas&Lukacs, 2012). Deze voornaamwoorden kunnen bovendien nog voor een naamval gemarkeerd worden. De woordvolgorde is dus minder belangrijk om de betekenis van de zin te begrijpen. Dit betekent dat Hongaarse sprekers moeite zullen hebben de betekenis van de Nederlandse bijzinnen te begrijpen, zonder de informatie uit een relatief persoonlijk voornaamwoord.
Voorbeeld 19. Relatieve bijzin Hongaars
Het meisje dat ik zag
A lány aki-t (REL-ACC) láttam
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Hongaars
Morfologie
Nederlandse kinderen zijn rond de 1;6 jaar als de eerste tweewoordzinnen verschijnen. Deze leeftijd ligt bij Hongaarse kinderen iets hoger. Zij vervoegen wel eerder, waardoor ze op dezelfde leeftijd een zelfde soort inhoud kunnen aangeven (MacWhinney, 1985). Hierbij moet wel worden aangetekend dat niet helemaal duidelijk is of het hier om echte vervoegingen gaat, of uit het hoofd geleerde constructies.
Gabor (2012) deed onderzoek naar de leeftijd waarop Hongaarse kinderen in staat zijn morfemen productief te gebruiken. In een trainingsfase leerden kinderen nonsens woorden (zelfstandig naamwoorden en werkwoorden) en in een testfase moesten zij de woorden zelf vervoegen. Uit het onderzoek bleek dat kinderen van gemiddeld 2:7 jaar al in staat waren zelfstandig naamwoorden goed te vervoegen. Ze hadden iets meer moeite met de werkwoorden. Volgens de auteur had dit niet zo zeer te maken met het morfologische deel van de taak, als wel met het feit dat de jonge kinderen de betekenis van het nonsenswerkwoord nog niet helemaal onder de knie hadden.
Niet alle morfemen worden tegelijk verworven. Het meervoudsmorfeem de diminutief (verkleinwoorden) en de accusatief vorm (lijdende vorm) worden als eerste verworven. Daarna verschijnt de datief-vorm (indirect object, meestal met de functie van meewerkend woorwerp) de instrumental-vorm (‘met’ of ‘door middel van’) en de eerste werkwoordsvervoegingen (verleden tijd en markering voor 3e persoon enkelvoud).
Ter vergelijking: bij Nederlandse kinderen is het meervoud van het zelfstandig naamwoord pas productief rond de derde verjaardag. Dan verschijnen ook pas de eerste vervoegde inhoudswerkwoorden (Gilles en Schaerlaekens, 2000) (zie het overzicht van verwervingsvolgorde in het Nederlands).
MacWhinney (1974: 414) geeft een overzicht van de gemiddelde leeftijd waarop de locatieve naamvallen van het Hongaars worden gebruikt. De datief en terminatief worden door hem tot de locatieven gerekend. De terminatief en ook de delatief werden echter nog niet geproduceerd door de kinderen uit de onderzoeken waar hij zijn overzicht op baseert.
Tabel 9. Verschijnen locatieven
locatieve naamval
leeftijd
allatief, inessief
1;8
datief
1;10
illatief
2;0
sublatief, superessief
2;2
elatief, adessief, ablatief
later
Voor de volledige verwervingsvolgorde geeft MacWhinney (1996) een overzicht van de volgorde waarin ze verworven worden, maar geeft hier geen gemiddelde leeftijd voor.
Datief, Verleden tijd, Imperatief, Illatief, 1e p. ev. onbepaald, Instrumentalis, Infinitief
III
Sublatief, 3e p. ev. possesief, 3e p. mv. onbepaald, Superessief, Possesief, 1e p. ev. bepaald, 1e p. ev. bezittelijk, 1e p. mv. onbepaald, 1e p. mv. bepaald
IV
Elatief, Factitief, 3e p. mv. bepaald, Adessief, Ablatief, 3e p. ev. bepaald, Voorwaardelijke wijs
Syntaxis
Zoals gezegd is woordvolgorde in het Hongaars in principe vrij. Jonge kinderen hebben wel een voorkeursvolgorde. Het voorzetsel (of eigenlijk de verb modifier) wordt bij voorkeur vóór het werkwoord gezet. Ze experimenteren niet met het verplaatsen van elementen naar de focuspositie.
Voorbeeld 20.
Haza-mentek
Huis-gingen zij
‘Zij gingen naar huis’.
El-aludtam
Weg-sliep ik
‘Ik viel in slaap’
Er zijn echter gevallen waarin het voorzetsel verplicht ná het werkwoord moeten komen. Bijvoorbeeld bij ontkennende zinnen, vragende zinnen en gebiedende zinnen. Onderzoek van Babarczy (2006) toonde aan dat jonge kinderen relatief veel fouten maken met deze verplichte inversie. In ongeveer de helft van de ontkennende zinnen van tweejarigen, staat het voorzetsel achter het werkwoord. Ze hebben dus wel besef van het feit dat er inversie nodig is. Ze laten namelijk in dit soort zinnen veel meer inversie zien, dan in zinnen met een vrije woordvolgorde. Maar ze maken nog relatief veel fouten met de verplichte inversie. Het percentage fouten neemt af met de leeftijd. Gebiedende zinnen gaan vaker goed. De auteur gaat er van uit dat dit komt door het grotere aantal gebiedende zinnen in de input van deze kinderen.
Macwhinney (1985: 1087) omschrijft een onderzoek waarbij hij 3-jarige, 5-jarige, 10-jarige en volwassen sprekers van het Hongaars filmpjes liet beschrijven. De jongste Hongaren bleken veel vaker de woordvolgorde VSO en VOS te gebruiken dan de oudere proefpersonen. Het vooraan plaatsen van het werkwoord kan komen doordat ze filmpjes en dus acties moesten beschrijven. Het zou kunnen zijn dat het gemakkelijker was voor de kinderen om te beginnen met het werkwoord, omdat dat het belangrijkste is bij het beschrijven van acties.
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Hongaars
Markeren van naamvallen door kinderen met SLI
Problemen met de grammaticale morfologie zijn kenmerkend voor kinderen met SLI. Veel onderzoek richt zich op het Engels. In dat onderzoek wordt vooral gekeken naar werkwoordsmorfologie. Het Hongaars heeft ook een rijk morfologisch systeem voor zelfstandig naamwoorden. Lukacs et al (2010) vroegen zich daarom af in hoeverre Hongaarse kinderen met SLI moeite hebben met dit soort vervoegingen. Onderzoek onder Turkse kinderen met SLI had namelijk uitgewezen dan er meer problemen waren met de morfologie van zelfstandig naamwoorden, dan van de werkwoorden.
Lukacs onderzocht Hongaarse kinderen met SLI aan de hand van een verteltaak en een elicitatietaak. Zij vergeleek de resultaten van de SLI kinderen met die van kinderen van dezelfde chronologische leeftijd (gemiddeld 6;3 jaar) en kinderen van dezelfde taalleeftijd (5;4 jaar). In de verteltaak gebruikten de SLI kinderen minder gemarkeerde zelfstandig naamwoorden en minder verschillende naamvalsmarkeringen dan hun leeftijdgenoten. De vergelijking met kinderen van dezelfde taalleeftijd liet geen verschillen zien.
Alle groepen lieten opvallend weinig fouten zien in de vervoeging van zelfstandig naamwoorden tijdens hun spontane spraak. In de elicitatietaak werden wel fouten gemaakt. De SLI kinderen maakte het meeste fouten, gevolgd door de kinderen van dezelfde taalleeftijd. De meerderheid van de fouten waren commissiefouten: het gebruik van een verkeerde suffix. De verkeerde suffix deelde vaak kenmerken van de target suffix, maar was het ‘net-niet’. Lukacs ontdekte een verschil tussen naamvalsmarkeringen met een spatiële betekenis en een non spatiële betekenis. Naamvalsmarkeringen met een spatiële betekenis waren makkelijker voor alle groepen kinderen, maar de SLI kinderen profiteerden hier het meest van.
Spatiële betekenis: de vogel zit op zijn nest
Non-spatiële betekenis: hij gelooft in engelen.
De non-spatiële betekenis is minder transparant en heeft een complexere representatie in het lexicon.
Op basis van deze resultaten, concludeert Lukacs dat naamvalsmarkeringen veel meer beïnvloed worden door lexicale ontwikkeling dan door grammaticale ontwikkeling. Dit neemt niet weg dat SLI kinderen problemen kunnen laten zien met bepaalde grammaticale morfemen. Maar volgens Lukacs gaat het dan vooral om complexe vormen die een groot beroep doen op de verwerkingscapaciteit van kinderen met SLI. Daar localiseert zij de specifieke problemen. Dit verklaart volgens haar ook waarom de SLI kenmerken tussen talen zo sterk verschillen. Wat in de ene taal complex is, hoeft het in de ander taal niet te zijn.
Tijd en aspect in Hongaarse kinderen met SLI
Problemen met het vervoegen van werkwoorden in de verleden tijd, behoren tot de meest gerapporteerde problemen van kinderen met SLI. De meest voorkomende fouten zijn omissiefouten; het weglaten van het element dat de verleden tijd aangeeft. In het Hongaars wordt zowel verleden tijd als aspect aangegeven door middel van inflectie. In de onderstaande voorbeelden wordt de verleden tijd aangegeven door de suffix -te achter het werkwoord et. De perfectief wordt aangegeven door de prefix meg- voor het werkwoord. In de perfectief is er altijd sprake van een prefix, maar de soort prefix verschilt per werkwoord. De betekenis van het werkwoord verandert iets door de prefix; van eten naar opeten.
Voorbeeld: 21. verleden tijd, imperfectief A majom ette a tortát – De aap at de cake (was de cake aan het eten)
Voorbeeld 22. verleden tijd, perfectief A tigris megette a levest – De tijger had de soep opgegeten.
Leonard (2007) vroeg zich af of kinderen met SLI meer moeite met tijd of met aspect zouden hebben. Omdat deze grammaticale kenmerken in het Hongaars apart gemarkeerd worden, leent het Hongaars zich goed voor dit onderzoek. Leonard onderzocht SLI kinderen tussen de 4 en 7 jaar en vergeleek hun resultaten met die van twee controlegroepen: normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde chronologische leeftijd en normaal ontwikkelende kinderen met een dezelfde taalleeftijd (3-6 jaar oud). Voor het onderzoek werden zinnen gebruikt die alleen verschilden in aspect. De helft van de zinnen bevatte een bijwoord dat aspect ondersteunde (bijvoorbeeld: al, nog steeds). De andere helft van de zinnen bevatte geen bijwoord. Op een begripstest scoorden alle groepen kinderen boven de 80% goed. Dit gold zowel voor de zinnen mét bijwoord als voor de zinnen zonder bijwoord. In de productietest werden door alle groepen meer fouten gemaakt. Zinnen met bijwoord waren voor alle groepen makkelijker dan zinnen zonder bijwoord. De fouten gingen beide kanten op. In perfectief zinnen werd de prefix weggelaten. In imperfectiefzinnen werd ten onrechte een prefix ingevoegd. Het ging dus niet alleen om omissiefouten. Alle groepen maakten in de productietest ook fouten met tijd, maar in die gevallen was aspect meestal wel goed. Zinnen waarin beide fout waren, kwamen bijna niet voor. Tijd werd sowieso minder vaak fout gedaan dan aspect. En als voor tijd gecorrigeerd werd, dan bleef het effect van aspect bestaan. De SLI kinderen maakten meer fouten dan beide controlegroepen, maar hun foutpatroon was wel vergelijkbaar met dat van de controlegroepen. Volgens Leonard geven deze resultaten aanleiding om te vermoeden dat het grammaticale kenmerk aspect bij kinderen met SLI apart is aangedaan.
Omissie- of commissiefouten
Orgassa (2009: 13) stelt dat typologische verschillen tussen talen kunnen leiden tot verschillende symptomen van SLI in elke taal. Kinderen met SLI maken vaak fouten bij de werkwoordsinflectie. Voor Germaanse talen geldt dat het persoonlijk voornaamwoord niet kan worden weggelaten, zoals bij pro-droptalen. In Germaanse talen maken kinderen met een taalstoornis vaak fouten waarbij ze uitgangen weglaten (vb. he play). Dit worden ommissiefouten genoemd. In pro-drop talen, zoals het Hongaars, worden juist veel substitutiefouten gemaakt. Dit houdt in dat de juiste uitgang wordt vervangen. Er worden echter ook ommissiefouten gemaakt in pro-droptalen.
In het Hongaars komen meestal fouten voor waarbij de meervoudsvorm van de 2e of 3e persoon wordt vervangen door diens enkelvoudsvorm (Leonard 2000). Een kind wil bijvoorbeeld zeggen "jullie vragen", maar zegt in plaats daarvan "je vraagt" (zie tabel 11).
Fonologie Piper (1982) vroeg zich af of de fouten van tweede taalleerders overeenkomen met die van jonge kinderen die hun moedertaal leren (2 tot 4 jaar oud). Piper deed onderzoek naar tweede taalleerders van vijf jaar oud met verschillende moedertalen. Wat opviel was dat het aantal fonologische fouten van tweedetaalleerders relatief klein was. De fouten die tweedetaalleerdeers maken, komen overeen met die van jonge moedertaalsprekers. Maar tweede taalleerders laten niet alle fouten zien die jonge moedertaalsprekers maken, omdat hun fonologisch systeem al veel verder ontwikkeld is in de eigen taal.
Beide groepen Assimilatiefouten, vooral stemhebbende fricatieven (z en v) die stemloos werden aan het eind van een woord. Weglaten van eindconsonanten. (Piper vermoedt dat tweede taalleerders moeite hebben met de waarneming van eindconsonanten en ze daarom ook minder produceren).
Subsitutiefouten; een moeilijk uit te spreken consonant wordt vervangen door een makkelijker consonant, vooral door een stopklank.
Alleen jonge moedertaalsprekers Clusterreductie (strik wordt stik) Consonantharmonie (vis wordt sis). Weglaten van onbeklemtoonde lettergreep (gekregen wordt kregen) Reduplicatie (auto wordt toto)
Specifiek voor moedertaalsprekers van het Hongaars
Zelfstandig naamwoorden In het Hongaars wordt het zelfstandig naamwoord alleen vervoegd voor het meervoud als uit de context niet duidelijk is dat het om een meervoud gaat. Als dit wel duidelijk is aangegeven (bijvoorbeeld door een telwoord) dan volgt er geen meervoudssuffix achter het naamwoord.
ott van három diák - er zijn drie studenten
Op grond hiervan kun van een Hongaarse spreker de volgende uiting in het Nederlands verwachten: "Er is drie student". Iets wat altijd in het meervoud voorkomt, hoeft ook niet in het meervoud te worden aangeduid. Dit geldt voor woorden als 'melk' en 'suiker' die in het Nederlands ook in het enkelvoud worden aangeduid, maar ook voor een woord als 'ogen'. Een Hongaarse spreker zal bij dit soort woorden geneigd zijn het enkelvoud te gebruiken waar hij een meervoud bedoelt.
Lidwoorden
Overgeneralisatie van het bepaald lidwoord 'de', omdat het Hongaars geen onzijdig bepaald lidwoord kent.
Werkwoorden De toekomende tijd wordt in het Hongaars gerealiseerd door middel van een suffix. Hongaarse sprekers snappen als snel dat in het Nederlands die suffix de vorm aanneemt van een hulpwerkwoord ‘zullen’. Vervolgens gebruiken ze het hulpwerkwoord in alle zinnen in de toekomende tijd. Terwijl wij in het Nederlands dit hulpwerkwoord vaak weglaten: 'morgen ga ik naar school' (in plaats van 'morgen zal ik naar school gaan').
Het hele werkwoord wordt in het Hongaars aangeduid met de stamvorm. Beginnende taalleerders van het Nederlands gebruiken daarom die vorm vaak in een meervoud situatie; ‘wij wil’ in plaats van ‘wij willen’.
Woordvolgorde
De woordvolgorde is weliswaar veel vrijer in het Hongaars dan in het Nederlands, maar niet arbitrair. Wat in het Nederlands met klemtoon aan betekenis wordt toegevoegd, wordt in het Hongaars door middel van woordvolgorde gerealiseerd. De onderstaande zinnen hebben in het Hongaars drie verschillende zinsvolgordes.
Morgen ga ik naar Parijs (niet vandaag) Morgen ga ik naar Parijs (niet mijn broer) Morgen ga ik naar Parijs (niet naar Keulen)
De woordvolgorde van de enkelvoudige declaratieve zinnen in het Nederlands levert meestal weinig problemen op. De volgende gevallen zijn wel moeilijk voor Hongaarse sprekers:
- zinnen die met een bijwoord beginnen; de V2 regel zorgt voor inversie van het subject en het werkwoord. NL Morgen ga ik naar het zwembad. T2 Morgen ik ga naar de zwembad.
- bijzinnen; het werkwoord (de verbale constituent) staat achteraan in de zin NL Sinterklaas dacht dat ik een racebaan vroeg. T2 Sinterklaas dacht ik vroeg een racebaan.
- bijzinnen die de hoofdzin onderbreken. Dit is in het Hongaars niet nodig. Dit soort zinnen zullen niet snel in de spontane taal van tweede taalleerders voorkomen en zijn voor hen heel moeilijk te begrijpen.
Persoonlijk voornaamwoorden In het Hongaars wordt geen onderscheid gemaakt tussen hij en zij. Daar is maar één woord voor ‘eu’. Uit de context moet worden opgemaakt of het om een mannelijk of vrouwelijk persoon gaat. Verwisselingen van hij en zij en problemen met de bezittelijk voornaamwoorden zijn dus te verwachten.
Voorzetsels Voorzetsels worden in het Nederlands lexicaal gerealiseerd. Hongaarse sprekers leren snel dat in het Nederlands geen achtervoegsel wordt gebruikt, maar ze vergeten het voorzetsel in de zin op te nemen: NL Het boek ligt op de tafel. T2 De boek ligt de tafel.
6. Literatuurverwijzingen
Meer over het Hongaars Fenyvesi, Anna (2005). Hungarian Language Contact Outside Hungary, Amsterdam: John Benjamins Publishing
Kenesei, I., R.M. Vago, R.M. & A. Fenyvesi (1998). Hungarian. (Descriptive Grammars). London: Routledge
Megyesi, B. (1998) The Hungarian language: A short descriptive grammar, Department of Linguistics, Stockholm University
Meer over taalstoornissen en taalverwerving in het Hongaars Babarczy, A. (2006) Negation and word order in Hungarian child language, Lingua 116, pag 377-392
Gábor, B, and Lukács, Á. (2012). Early morphological productivity in Hungarian: evidence from sentence repetition and elicited production. Journal of Child Language, 39, pp 411-442. Kas, B. Lukács, A., (2012) Processing relative clauses by Hungarian typically developing children. Language and cognitive processes, 27:4, 500-538
Leonard, L.B. (1998). Children with specific language impairment. Cambridge, MA: The MIT Press.
Leonard, L.B. (2000). Specific language impairment across languages. In: V.M. Bishop & L.B. Leonard (eds.) Speech and Language Impairments in Children: Causes, Characteristics, Intervention and Outcome, 115-129. East Sussex: Psychology Press. Leonard, L.B. (2012) Tense and Aspect in childhood language impairment; contributions from Hongarian, Applied Psycholinguistics, 33, 305-328
Lukács, Á et al (2009). The Use of Tense and Agreement by Hungarian-Speaking Children With Language Impairment, Journal of Speech, Language, and Hearing Research, Vol. 52 pp. 98–117 Lukács, A., Leonard, L.B. & Kas, B. (2010) The use of noun morphology by children with language impairment: The case of Hungarian. International Journal of Language & Communication Disorders, 45 (2) Lukács, A., Leonard, L.B. & Kas, B. (2013) Case marking in Hungarian children with specific language impairment. First Language, 33, 331-353
MacWhinney, B. (1974). How Hungarian children learn to speak. Unpublished doctoral dissertation, University of California, Berkeley.
MacWhinney, B. (1976). Hungarian research on the acquisition of morphology and syntax. Journal of Child Language, 3, 397-410.
MacWhinney, B. (1985). Hungarian language acquisition as an exemplification of a general model of grammatical development. In D. Slobin (Ed.), The cross-cultural study of language acquisition. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum.
Orgassa, A. (2009). Specific Language Impairment in a Bilingual Context: The Acquisition of Dutch Inflection by Turkish-Dutch Learners, Utrecht: LOT dissertation series 220
Piper, T. Phonological processes in ESL five-year-olds, ATESL/TESL conference 1982, Edmonton, Canada
Vinkler, P. & C. Pleh (1995). A case of a specific language impaired child in Hungarian, In: M. Kovacevic (Ed.), Language and language communication barriers: Research and theoretical perspectives in three European languages, 131-158, Zagreb: Croatian University Press
Overige gebruikte literatuur
Baddeley, S. & A. Voeste (2012), Orthographies in Early Modern Europe, Berlin: Walter de Gruyter GmbH & Co.
Beuls, K. (2011). Construction sets and unmarked forms - a case study for Hungarian verbal agreement. In Luc Steels (Ed.), Design Patterns in Fluid Construction Grammar. Amsterdam: John Benjamins.
Kenesei, I. (2001), Criteria for auxiliaries in Hungarian, In: I. Kenesei (ed.), Argument structure in Hungarian, Akadémiai Kiadó, Bp., 2001, 73-106. Gilles, S. Schaerlaekens, A. (2000) Kindertaalverwerving. Een handboek voor het Nederlands. Martinus Nijhoff, Groningen.
Lewis, M. P. (ed.) (2009). Ethnologue: Languages of the World, Sixteenth edition. Dallas, Tex.: SIL International. Online version: http://www.ethnologue.com/. Ministry of national resources of Hungary (2011) The system of education in Hungary.
Rietveld, A.C.M. en V.J. Van Heuven (2009), Algemene Fonetiek, Uitgeverij Coutinho.
Rounds, C. & E. Sólyom (2002) Collogquial Hungarian: The Complete Course for Beginners, London: Routledge.
Spencer, Andrew (2008) Does Hungarian have a case system? In: Case and Grammatical Relations, Studies in honor of Bernard Comrie. Typological Studies in Language (81). John Benjamins, Amsterdam, pp. 35-56.
Met dank aan
Runa Hellinga freelance journalist, Dagblad Trouw.
Edwin van Schie, Hongaarse School, Haarlem.
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Table of Contents
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Hongaars verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie en syntaxis en pragmatiek. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Hongaars als moedertaal, hoeft dat dus per se niet te wijzen op een TOS.
FonologieHet Nederlands kent klanken die het Hongaars niet kent, waardoor een Hongaarse moedertaalspreker uitspraakproblemen kan hebben met onder andere de [ɳ], [ç], [x] of [χ]. Ook bestaan er geen diftongen in het Hongaars. Hiernaast is het verschil tussen de [w] en [v] in het Hongaars minimaal, waardoor moedertaalsprekers hier moeite mee kunnen hebben. Als laatste ligt de klemtoon in het Hongaars altijd op de eerste lettergreep, terwijl dit in het Nederlands bijna altijd de voorlaatste lettergreep is.
MorfologieOmdat het Hongaars een agglutinerende taal is, bestaan er heel veel suffixen, die niet allemaal in het Nederlands bestaan. Een kind zal moeite kunnen hebben met de “losse” grammaticale informatie. In het Hongaars is er geen grammaticaal geslacht, dus er is geen verschil tussen “hij/zij” of “hem/haar”. Daarnaast blijft een zelfstandig naamwoord enkelvoudig met een meervoudig telwoord, waardoor een kind dit in het Nederlands ook zou kunnen doen.
SyntaxisHet zou kunnen dat een Hongaarse moedertaalspreker moeite heeft met de SVO-volgorde van een hoofdzin in het Nederlands, hij maakt er waarschijnlijk altijd SOV van. Daarnaast zal een kind moeten leren met de klemtoon betekenisverschil aan te geven, in plaats van met woordvolgorde.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenHongaarse moedertaalsprekers met een TOS hebben vaak problemen met de grammaticale morfologie.
Daarom kan het volgende gevraagd worden:
- Heeft het kind moeite met het gebruik van de juiste naamvallen?- Heeft het kind moeite met het juist aanduiden van de tijd?- Maakt het kind fouten met het getal van werkwoorden (Het zegt bijvoorbeeld “Je loopt” in plaats van “jullie lopen” in het Hongaars)?
1. Algemene informatie over het Hongaars
Het Hongaars (Magyar) behoort tot de Finoegrische taalfamilie en is onder andere verwant aan het Fins en het Ests. In 2005 werd de taal door ongeveer 14,5 miljoen mensen gesproken, waarvan 4 miljoen buiten Hongarije. Het Hongaars is de grootste taal in Europa die niet lid is van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe de meeste Europese talen behoren (Fenyvesi 2005: 11).Het is een officiële taal in Hongarije en Slovenië. Het Hongaars is tevens een regionale taal in Oostenrijk, Servië en Roemenië en wordt door minderheden gesproken in Australië, Canada, Kroatië, Tsjechië, Israël, Rusland, Slowakijë, Oekraïne en de Verenigde Staten. Het Hongaars heeft verschillende dialecten, waarvan de meeste goed onderling verstaanbaar zijn. Sprekers van de standaardtaal hebben echter moeite om het Oberwart dialect dat in Oostenrijk wordt gesproken en het Moldavian Csángó dialect dat in Roemenië wordt gesproken, te begrijpen (Lewis 2009).
Het Hongaarse alfabet is een uitbreiding van het Latijnse alfabet en bestaat uit 44 letters. Behalve de letters die we in het Nederlands kennen, worden in het geschreven Hongaars ook de letters á, cs, dz, dzs, é, gy, í, ly, ny, ó, ö, ő, sz, ty, ú, ü, ű en zs gebruikt. De relatie tussen het geschreven en gesproken Hongaars is erg regelmatig: elk grafeem (letter) kan aan één foneem (klank) gekoppeld worden. Er zijn slechts enkele uitzonderingen op deze regel (Baddeley & Voeste 2012: 321).
2. Specifieke informatie over het Hongaars
Fonologie
Het Hongaars heeft 14 klinkers en 25 medeklinkers. De klinkers kunnen onderverdeeld in lange klinkers en korte klinkers (Kornai 1986: 15).De medeklinkers van het Hongaars zijn de volgende (Kornai 1986: 15):
Er zijn veel medeklinkers die in het Nederlands voorkomen en die het Hongaars niet heeft. Het gaat bijvoorbeeld om de [ŋ] als in ‘eng’ en de stemloze [ç], [x] of [χ] als in ‘acht’ of de stemhebbende [ɣ] of [ʝ] in ‘geeuw’. Ook kent het Nederlands veel meer verschillende varianten van de ‘r’, zoals de klopper [ɾ], de ‘stemhebbende g’ die wordt uitgesproken als [ʁ], de triller [ʀ] of de ‘Gooische’ [ɹ]. Verder komt de [w] of [ʋ] als in ‘wang’ niet voor in het Hongaars. Met name dat laatste verschil kan problemen opleveren. De stemhebbendheid van de [v] is in het Hongaars veel duidelijker hoorbaar dan in het Nederlands, waardoor de uitspraak dichter aanlicht tege die van de [w]. Hierdoor hebben Hongaarse sprekers moeite met het onderscheid tussen bijvoorbeeld de Nederlandse woorden 'wang'en 'vang'.
Klinkerharmonie
Net als het Turks en het Fins, wordt het Hongaars gekenmerkt door het verschijnsel van klinkerharmonie. Dit houdt in dat de klinkers binnen een woord ofwel allemaal voorklinkers of allemaal achterklinkers zijn. De zogenaamde voorklinkers worden voorin de mond uitgesproken, het gaat om de [i], [y], [e], [ø], [ɛ], [a] (Nederlands: ie, uu, ee, eu, è, aa). Voor de achterklinkers geldt dat de articulatie ervan achterin de mond plaats vindt. De achterklinkers van het Hongaars zijn de [u], [o], [ɔ], [ɑ] (oe, oo, ò, à). De klinkers [i] en [ɪ] kunnen zowel met voor- als met achterklinkers voorkomen (Kornai 1986: 29).
Klemtoon
In het Hongaars ligt de klemtoon altijd op de eerste lettergreep. Dit patroon wijkt af van het Nederlands waar de klemtoon meestal op de voorlaatste lettergreep ligt. Een- en tweelettergrepige woorden zullen daarom weinig problemen opleveren voor Hongaarse sprekers. In deze woorden is de voorlaatste lettergreep ook de eerste lettergreep. Meerlettergrepige woorden kunnen lastig zijn. Polítie wordt dan uitgesproken als pólitie. Studénte als stúdente.
Morfologie
Agglutinerende taal
Het Hongaars is een agglutinerende taal. Dit betekent dat de meeste grammaticale informatie wordt gegeven door suffixen. De suffixen met verschillende kenmerken (congruentie, ontkenning, modaliteit, tijd- en aspectmarkering) worden aan een woord gekoppeld. Er kan op deze manier met weinig woorden – of zelfs met slechts één woord – een hele zin ontstaan. Voor de verbuiging van een woord kunnen minstens 34 verschillende suffixen gebruikt worden (MacWhinney 1976).
Suffixen en klinkerharmonie
Zoals hierboven genoemd kent het Hongaars klinkerharmonie en bestaan woorden uit alleen voorklinkers of alleen achterklinkers. De suffixen passen zich aan volgens deze regel. Ze kunnen alleen klinkers hebben van de klankcategorie waartoe het voorgaande woord behoort. Elke suffix kent daarom ook twee vormen.
Grammaticaal geslacht
In het Hongaars wordt geen onderscheid gemaakt in grammaticaal geslacht, zoals in het Nederlands wel wordt gedaan. Het woord ‘ő’ kan 'hij', 'zij' of 'het' betekenen en of het om een jongen of een meisje gaat moet uit de context worden opgemaakt.
Lidwoorden
In het Hongaars is er alleen verschil tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden. Er zijn twee vormen voor het bepaalde lidwoord, afhankelijk van of het zelfstandig naamwoord met een klinker of een medeklinker begint (Kenesei Vago en Fenyvesi 1998: 94). Het onbepaalde lidwoord wordt vaak weggelaten (p. 59).
- Voorbeeld 6. Onbepaald lidwoord
- egy ház – een huis
Omdat het Hongaars geen grammaticaal geslacht kent, is er ook geen onzijdig bepaald lidwoord. Het zou dus kunnen dat sprekers van het Hongaars moeite zullen hebben met het aanleren van 'het' in het Nederlands en 'de' overgeneraliseren.Meervoudsvorming
Het Hongaars heeft net als het Nederlands een meervoudssuffix. Als van een enkelvoud een meervoud wordt gemaakt, komt er een –k achter (Kenesei Vago en Fenyvesi 1998: 254).
De meervoudssuffix heeft vijf allomorfen (varianten), namelijk –k, -ok, -ak, -ek en –ök. De vorm wordt bepaald door de laatste klank van het enkelvoud en de klinkers waaruit het woord bestaat (Rounds & Sólyom 2002: 17).
In tegenstelling tot in het Nederlands blijft een woord enkelvoudig wanneer er een zogenaamde kwantor (bijvoorbeeld een telwoord) aan vooraf gaat.
Iets wat altijd in het meervoud voorkomt, hoeft ook niet in het meervoud te worden aangeduid. Dit geldt voor de 'mass nouns', zoals 'melk' en 'suiker', maar ook voor bijvoorbeeld 'ogen'.
Voorbeeld 9. Woorden die altijd in het meervoud voorkomen
tej - melk
cukor - suiker
szem - oog/ogen
Naamvallen
Het Hongaars heeft een complex naamvalssysteem van vormen die een grammaticale of semantische relatie aangeven (Megyesi 1998, Kenesei, Vago & Fenyvesi 1998: 192, Spencer 2008).
Werkwoorden
Congruentie met het onderwerp
Hongaarse werkwoorden bestaan uit een stam, gevolgd door een suffix om de tijd of wijs aan te geven, gevolgd door een suffix om de persoon en het aantal (enkelvoud/meervoud) aan te geven. Er zijn drie tijden in het Hongaars: tegenwoordige tijd, verleden tijd en toekomende tijd. In de tegenwoordige tijd wordt een suffix weggelaten (-Ø-) en voor de verleden tijd wordt de suffix -t- gebruikt. De toekomende tijd wordt in het Hongaars gemaakt met het hulpwerkwoord 'fog'.
Het Hongaars kent een aantonende, een aanvoegende en voorwaardelijke wijs. De aantonende wijs heeft zoals gezegd een tegenwoordige en een verleden tijd. De aanvoegende wijs, die tevens gebruikt wordt als gebiedende wijs, wordt gemarkeerd door de suffix -j-. De voorwaardelijke wijs heeft de suffix -n- en wordt gebruikt voor beleefde verzoeken (Megyesi 1998).
Net als in het Nederlands past het werkwoord zich aan aan het onderwerp in aantal en persoon (Beuls 2011). In werkwoordsvervoeging spelen de suffixen voor persoon een centrale rol omdat het Hongaars een pro-droptaal is. Dit houdt in dat het persoonlijk voornaamwoord kan worden weggelaten en alleen gebruikt wordt om nadruk te leggen. De suffix voor tijd/wijs en de suffix voor persoon passen zich aan elkaar aan (Megyesi 1998).
Ook bij werkwoorden heb je twee verschillende vormen van suffixen volgens de regel van de klinkerharmonie. Voor enkele stammen, met klinkers ü of ö, is er nog een derde vorm.
Congruentie met het lijdend voorwerp
De DEF in voorbeeld 12 en 13 staat voor definiet of bepaald, INDEF staat voor onbepaald. In het Hongaars past het werkwoord zich niet alleen maar aan aan het onderwerp, maar ook aan het lijdend voorwerp. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen bepaald en onbepaald. Elke suffix voor persoon heeft een bepaalde en een onbepaalde vorm. Dit verschijnsel bestaat niet in Indo-Europese talen, zoals het Nederlands (Beuls 2011).
Syntaxis
Woordvolgorde
Het Hongaars is een zogenaamde 'SOV-taal‘ waarbij het subject gevolgd wordt door het object en vervolgens het werkwoord. Het Hongaars heeft in principe een vrije woordvolgorde. Dit betekent dat er veel verschillende woordvolgordes mogelijk zijn, maar deze betekenen niet exact hetzelfde. Er zijn kleine betekenisverschillen, die in het Nederlands vaak met een verschil in klemtoon worden aangegeven.
Voorbeeld 16. Betekenisverschillen bij andere woordvolgorde
El-aludt Sára of Sára el-aludt.
Weg-sliep Sára
‘ Sára viel in slaap’.
Sára aludt el.
Sára sliep weg.
‘Het was Sára die in slaap viel’.
Het element dat de focus krijgt, wordt direct voor het werkwoord geplaatst (o.a. Babarczy, 2006). En het voorzetsel staat in dit geval achter het werkwoord. Sommige elementen staan altijd voor het werkwoord. Bijvoorbeeld het vraagwoord en de negatie. De plaats van de negatie in het Hongaars kan voor transferfouten zorgen. Zinnen als ‘Niet kom ik’ kunnen in de uitingen van een Hongaarse spreker van het Nederlands voorkomen.
Voorbeeld 17. Woordvolgorde bij negatie
Nem ugrottak be a víz-be.
Niet springen zij in het water.
‘Zij sprongen niet in het water (maar bleven op de boot).’
Voor de volgorde van woorden/suffixen binnen een constituent bestaan vaste regels. Kinderen met een normale taalontwikkeling maken maar weinig fouten met deze volgorde (MacWhinney; 1976).
Relatieve bijzinnenIn het Nederlands moet je uit de woordvolgorde opmaken om wat voor soort bijzin het gaat en of de bijzin betrekking heeft op het subject of het object:
Het woord ‘die’ uit het onderstaande voorbeeld is een ambigue woord. Je kunt niet aan het woord zelf zien of het bij ‘de hond’ hoort of bij ‘de geit’.
Voorbeeld 18. Relatieve bijzin Nederlands
De hond die over de geit springt, blaft hard.
Deze bijzin heeft betrekking op het subject en drukt een actie van het subject uit.
In het Hongaars zijn er relatief persoonlijk voornaamwoorden die deze relatie wel uitdrukken (Kas&Lukacs, 2012). Deze voornaamwoorden kunnen bovendien nog voor een naamval gemarkeerd worden. De woordvolgorde is dus minder belangrijk om de betekenis van de zin te begrijpen. Dit betekent dat Hongaarse sprekers moeite zullen hebben de betekenis van de Nederlandse bijzinnen te begrijpen, zonder de informatie uit een relatief persoonlijk voornaamwoord.
Voorbeeld 19. Relatieve bijzin Hongaars
Het meisje dat ik zag
A lány aki-t (REL-ACC) láttam
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Hongaars
Morfologie
Nederlandse kinderen zijn rond de 1;6 jaar als de eerste tweewoordzinnen verschijnen. Deze leeftijd ligt bij Hongaarse kinderen iets hoger. Zij vervoegen wel eerder, waardoor ze op dezelfde leeftijd een zelfde soort inhoud kunnen aangeven (MacWhinney, 1985). Hierbij moet wel worden aangetekend dat niet helemaal duidelijk is of het hier om echte vervoegingen gaat, of uit het hoofd geleerde constructies.
Gabor (2012) deed onderzoek naar de leeftijd waarop Hongaarse kinderen in staat zijn morfemen productief te gebruiken. In een trainingsfase leerden kinderen nonsens woorden (zelfstandig naamwoorden en werkwoorden) en in een testfase moesten zij de woorden zelf vervoegen. Uit het onderzoek bleek dat kinderen van gemiddeld 2:7 jaar al in staat waren zelfstandig naamwoorden goed te vervoegen. Ze hadden iets meer moeite met de werkwoorden. Volgens de auteur had dit niet zo zeer te maken met het morfologische deel van de taak, als wel met het feit dat de jonge kinderen de betekenis van het nonsenswerkwoord nog niet helemaal onder de knie hadden.
Niet alle morfemen worden tegelijk verworven. Het meervoudsmorfeem de diminutief (verkleinwoorden) en de accusatief vorm (lijdende vorm) worden als eerste verworven. Daarna verschijnt de datief-vorm (indirect object, meestal met de functie van meewerkend woorwerp) de instrumental-vorm (‘met’ of ‘door middel van’) en de eerste werkwoordsvervoegingen (verleden tijd en markering voor 3e persoon enkelvoud).
Ter vergelijking: bij Nederlandse kinderen is het meervoud van het zelfstandig naamwoord pas productief rond de derde verjaardag. Dan verschijnen ook pas de eerste vervoegde inhoudswerkwoorden (Gilles en Schaerlaekens, 2000) (zie het overzicht van verwervingsvolgorde in het Nederlands).
MacWhinney (1974: 414) geeft een overzicht van de gemiddelde leeftijd waarop de locatieve naamvallen van het Hongaars worden gebruikt. De datief en terminatief worden door hem tot de locatieven gerekend. De terminatief en ook de delatief werden echter nog niet geproduceerd door de kinderen uit de onderzoeken waar hij zijn overzicht op baseert.
Voor de volledige verwervingsvolgorde geeft MacWhinney (1996) een overzicht van de volgorde waarin ze verworven worden, maar geeft hier geen gemiddelde leeftijd voor.
Syntaxis
Zoals gezegd is woordvolgorde in het Hongaars in principe vrij. Jonge kinderen hebben wel een voorkeursvolgorde. Het voorzetsel (of eigenlijk de verb modifier) wordt bij voorkeur vóór het werkwoord gezet. Ze experimenteren niet met het verplaatsen van elementen naar de focuspositie.
Voorbeeld 20.
Haza-mentek
Huis-gingen zij
‘Zij gingen naar huis’.
El-aludtam
Weg-sliep ik
‘Ik viel in slaap’
Er zijn echter gevallen waarin het voorzetsel verplicht ná het werkwoord moeten komen. Bijvoorbeeld bij ontkennende zinnen, vragende zinnen en gebiedende zinnen. Onderzoek van Babarczy (2006) toonde aan dat jonge kinderen relatief veel fouten maken met deze verplichte inversie. In ongeveer de helft van de ontkennende zinnen van tweejarigen, staat het voorzetsel achter het werkwoord. Ze hebben dus wel besef van het feit dat er inversie nodig is. Ze laten namelijk in dit soort zinnen veel meer inversie zien, dan in zinnen met een vrije woordvolgorde. Maar ze maken nog relatief veel fouten met de verplichte inversie. Het percentage fouten neemt af met de leeftijd. Gebiedende zinnen gaan vaker goed. De auteur gaat er van uit dat dit komt door het grotere aantal gebiedende zinnen in de input van deze kinderen.
Macwhinney (1985: 1087) omschrijft een onderzoek waarbij hij 3-jarige, 5-jarige, 10-jarige en volwassen sprekers van het Hongaars filmpjes liet beschrijven. De jongste Hongaren bleken veel vaker de woordvolgorde VSO en VOS te gebruiken dan de oudere proefpersonen. Het vooraan plaatsen van het werkwoord kan komen doordat ze filmpjes en dus acties moesten beschrijven. Het zou kunnen zijn dat het gemakkelijker was voor de kinderen om te beginnen met het werkwoord, omdat dat het belangrijkste is bij het beschrijven van acties.
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Hongaars
Markeren van naamvallen door kinderen met SLI
Problemen met de grammaticale morfologie zijn kenmerkend voor kinderen met SLI. Veel onderzoek richt zich op het Engels. In dat onderzoek wordt vooral gekeken naar werkwoordsmorfologie. Het Hongaars heeft ook een rijk morfologisch systeem voor zelfstandig naamwoorden. Lukacs et al (2010) vroegen zich daarom af in hoeverre Hongaarse kinderen met SLI moeite hebben met dit soort vervoegingen. Onderzoek onder Turkse kinderen met SLI had namelijk uitgewezen dan er meer problemen waren met de morfologie van zelfstandig naamwoorden, dan van de werkwoorden.
Lukacs onderzocht Hongaarse kinderen met SLI aan de hand van een verteltaak en een elicitatietaak. Zij vergeleek de resultaten van de SLI kinderen met die van kinderen van dezelfde chronologische leeftijd (gemiddeld 6;3 jaar) en kinderen van dezelfde taalleeftijd (5;4 jaar). In de verteltaak gebruikten de SLI kinderen minder gemarkeerde zelfstandig naamwoorden en minder verschillende naamvalsmarkeringen dan hun leeftijdgenoten. De vergelijking met kinderen van dezelfde taalleeftijd liet geen verschillen zien.
Alle groepen lieten opvallend weinig fouten zien in de vervoeging van zelfstandig naamwoorden tijdens hun spontane spraak. In de elicitatietaak werden wel fouten gemaakt. De SLI kinderen maakte het meeste fouten, gevolgd door de kinderen van dezelfde taalleeftijd. De meerderheid van de fouten waren commissiefouten: het gebruik van een verkeerde suffix. De verkeerde suffix deelde vaak kenmerken van de target suffix, maar was het ‘net-niet’. Lukacs ontdekte een verschil tussen naamvalsmarkeringen met een spatiële betekenis en een non spatiële betekenis. Naamvalsmarkeringen met een spatiële betekenis waren makkelijker voor alle groepen kinderen, maar de SLI kinderen profiteerden hier het meest van.
Spatiële betekenis: de vogel zit op zijn nest
Non-spatiële betekenis: hij gelooft in engelen.
De non-spatiële betekenis is minder transparant en heeft een complexere representatie in het lexicon.
Op basis van deze resultaten, concludeert Lukacs dat naamvalsmarkeringen veel meer beïnvloed worden door lexicale ontwikkeling dan door grammaticale ontwikkeling. Dit neemt niet weg dat SLI kinderen problemen kunnen laten zien met bepaalde grammaticale morfemen. Maar volgens Lukacs gaat het dan vooral om complexe vormen die een groot beroep doen op de verwerkingscapaciteit van kinderen met SLI. Daar localiseert zij de specifieke problemen. Dit verklaart volgens haar ook waarom de SLI kenmerken tussen talen zo sterk verschillen. Wat in de ene taal complex is, hoeft het in de ander taal niet te zijn.
Tijd en aspect in Hongaarse kinderen met SLI
Problemen met het vervoegen van werkwoorden in de verleden tijd, behoren tot de meest gerapporteerde problemen van kinderen met SLI. De meest voorkomende fouten zijn omissiefouten; het weglaten van het element dat de verleden tijd aangeeft. In het Hongaars wordt zowel verleden tijd als aspect aangegeven door middel van inflectie. In de onderstaande voorbeelden wordt de verleden tijd aangegeven door de suffix -te achter het werkwoord et. De perfectief wordt aangegeven door de prefix meg- voor het werkwoord. In de perfectief is er altijd sprake van een prefix, maar de soort prefix verschilt per werkwoord. De betekenis van het werkwoord verandert iets door de prefix; van eten naar opeten.
Voorbeeld: 21. verleden tijd, imperfectief
A majom ette a tortát – De aap at de cake (was de cake aan het eten)
Voorbeeld 22. verleden tijd, perfectief
A tigris megette a levest – De tijger had de soep opgegeten.
Leonard (2007) vroeg zich af of kinderen met SLI meer moeite met tijd of met aspect zouden hebben. Omdat deze grammaticale kenmerken in het Hongaars apart gemarkeerd worden, leent het Hongaars zich goed voor dit onderzoek. Leonard onderzocht SLI kinderen tussen de 4 en 7 jaar en vergeleek hun resultaten met die van twee controlegroepen: normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde chronologische leeftijd en normaal ontwikkelende kinderen met een dezelfde taalleeftijd (3-6 jaar oud). Voor het onderzoek werden zinnen gebruikt die alleen verschilden in aspect. De helft van de zinnen bevatte een bijwoord dat aspect ondersteunde (bijvoorbeeld: al, nog steeds). De andere helft van de zinnen bevatte geen bijwoord. Op een begripstest scoorden alle groepen kinderen boven de 80% goed. Dit gold zowel voor de zinnen mét bijwoord als voor de zinnen zonder bijwoord. In de productietest werden door alle groepen meer fouten gemaakt. Zinnen met bijwoord waren voor alle groepen makkelijker dan zinnen zonder bijwoord. De fouten gingen beide kanten op. In perfectief zinnen werd de prefix weggelaten. In imperfectiefzinnen werd ten onrechte een prefix ingevoegd. Het ging dus niet alleen om omissiefouten. Alle groepen maakten in de productietest ook fouten met tijd, maar in die gevallen was aspect meestal wel goed. Zinnen waarin beide fout waren, kwamen bijna niet voor. Tijd werd sowieso minder vaak fout gedaan dan aspect. En als voor tijd gecorrigeerd werd, dan bleef het effect van aspect bestaan. De SLI kinderen maakten meer fouten dan beide controlegroepen, maar hun foutpatroon was wel vergelijkbaar met dat van de controlegroepen. Volgens Leonard geven deze resultaten aanleiding om te vermoeden dat het grammaticale kenmerk aspect bij kinderen met SLI apart is aangedaan.
Omissie- of commissiefouten
Orgassa (2009: 13) stelt dat typologische verschillen tussen talen kunnen leiden tot verschillende symptomen van SLI in elke taal. Kinderen met SLI maken vaak fouten bij de werkwoordsinflectie. Voor Germaanse talen geldt dat het persoonlijk voornaamwoord niet kan worden weggelaten, zoals bij pro-droptalen. In Germaanse talen maken kinderen met een taalstoornis vaak fouten waarbij ze uitgangen weglaten (vb. he play). Dit worden ommissiefouten genoemd. In pro-drop talen, zoals het Hongaars, worden juist veel substitutiefouten gemaakt. Dit houdt in dat de juiste uitgang wordt vervangen. Er worden echter ook ommissiefouten gemaakt in pro-droptalen.
In het Hongaars komen meestal fouten voor waarbij de meervoudsvorm van de 2e of 3e persoon wordt vervangen door diens enkelvoudsvorm (Leonard 2000). Een kind wil bijvoorbeeld zeggen "jullie vragen", maar zegt in plaats daarvan "je vraagt" (zie tabel 11).
5. Mogelijke transferfouten in het Nederlands
In het algemeen
Fonologie
Piper (1982) vroeg zich af of de fouten van tweede taalleerders overeenkomen met die van jonge kinderen die hun moedertaal leren (2 tot 4 jaar oud). Piper deed onderzoek naar tweede taalleerders van vijf jaar oud met verschillende moedertalen. Wat opviel was dat het aantal fonologische fouten van tweedetaalleerders relatief klein was. De fouten die tweedetaalleerdeers maken, komen overeen met die van jonge moedertaalsprekers. Maar tweede taalleerders laten niet alle fouten zien die jonge moedertaalsprekers maken, omdat hun fonologisch systeem al veel verder ontwikkeld is in de eigen taal.
Beide groepen
Assimilatiefouten, vooral stemhebbende fricatieven (z en v) die stemloos werden aan het eind van een woord.
Weglaten van eindconsonanten. (Piper vermoedt dat tweede taalleerders moeite hebben met de waarneming van eindconsonanten en ze daarom ook minder produceren).
Subsitutiefouten; een moeilijk uit te spreken consonant wordt vervangen door een makkelijker consonant, vooral door een stopklank.
Alleen jonge moedertaalsprekers
Clusterreductie (strik wordt stik)
Consonantharmonie (vis wordt sis).
Weglaten van onbeklemtoonde lettergreep (gekregen wordt kregen)
Reduplicatie (auto wordt toto)
Specifiek voor moedertaalsprekers van het Hongaars
Zelfstandig naamwoorden
In het Hongaars wordt het zelfstandig naamwoord alleen vervoegd voor het meervoud als uit de context niet duidelijk is dat het om een meervoud gaat. Als dit wel duidelijk is aangegeven (bijvoorbeeld door een telwoord) dan volgt er geen meervoudssuffix achter het naamwoord.
ott van három diák - er zijn drie studenten
Op grond hiervan kun van een Hongaarse spreker de volgende uiting in het Nederlands verwachten: "Er is drie student".
Iets wat altijd in het meervoud voorkomt, hoeft ook niet in het meervoud te worden aangeduid. Dit geldt voor woorden als 'melk' en 'suiker' die in het Nederlands ook in het enkelvoud worden aangeduid, maar ook voor een woord als 'ogen'. Een Hongaarse spreker zal bij dit soort woorden geneigd zijn het enkelvoud te gebruiken waar hij een meervoud bedoelt.
Lidwoorden
Overgeneralisatie van het bepaald lidwoord 'de', omdat het Hongaars geen onzijdig bepaald lidwoord kent.
Werkwoorden
De toekomende tijd wordt in het Hongaars gerealiseerd door middel van een suffix. Hongaarse sprekers snappen als snel dat in het Nederlands die suffix de vorm aanneemt van een hulpwerkwoord ‘zullen’. Vervolgens gebruiken ze het hulpwerkwoord in alle zinnen in de toekomende tijd. Terwijl wij in het Nederlands dit hulpwerkwoord vaak weglaten: 'morgen ga ik naar school' (in plaats van 'morgen zal ik naar school gaan').
Het hele werkwoord wordt in het Hongaars aangeduid met de stamvorm. Beginnende taalleerders van het Nederlands gebruiken daarom die vorm vaak in een meervoud situatie; ‘wij wil’ in plaats van ‘wij willen’.
Woordvolgorde
De woordvolgorde is weliswaar veel vrijer in het Hongaars dan in het Nederlands, maar niet arbitrair. Wat in het Nederlands met klemtoon aan betekenis wordt toegevoegd, wordt in het Hongaars door middel van woordvolgorde gerealiseerd. De onderstaande zinnen hebben in het Hongaars drie verschillende zinsvolgordes.
Morgen ga ik naar Parijs (niet vandaag)
Morgen ga ik naar Parijs (niet mijn broer)
Morgen ga ik naar Parijs (niet naar Keulen)
De woordvolgorde van de enkelvoudige declaratieve zinnen in het Nederlands levert meestal weinig problemen op. De volgende gevallen zijn wel moeilijk voor Hongaarse sprekers:
- zinnen die met een bijwoord beginnen; de V2 regel zorgt voor inversie van het subject en het werkwoord.
NL Morgen ga ik naar het zwembad. T2 Morgen ik ga naar de zwembad.
- bijzinnen; het werkwoord (de verbale constituent) staat achteraan in de zin
NL Sinterklaas dacht dat ik een racebaan vroeg. T2 Sinterklaas dacht ik vroeg een racebaan.
- bijzinnen die de hoofdzin onderbreken. Dit is in het Hongaars niet nodig.
Dit soort zinnen zullen niet snel in de spontane taal van tweede taalleerders voorkomen en zijn voor hen heel moeilijk te begrijpen.
Persoonlijk voornaamwoorden
In het Hongaars wordt geen onderscheid gemaakt tussen hij en zij. Daar is maar één woord voor ‘eu’. Uit de context moet worden opgemaakt of het om een mannelijk of vrouwelijk persoon gaat. Verwisselingen van hij en zij en problemen met de bezittelijk voornaamwoorden zijn dus te verwachten.
Voorzetsels
Voorzetsels worden in het Nederlands lexicaal gerealiseerd. Hongaarse sprekers leren snel dat in het Nederlands geen achtervoegsel wordt gebruikt, maar ze vergeten het voorzetsel in de zin op te nemen:
NL Het boek ligt op de tafel.
T2 De boek ligt de tafel.
6. Literatuurverwijzingen
Meer over het Hongaars
Fenyvesi, Anna (2005). Hungarian Language Contact Outside Hungary, Amsterdam: John Benjamins Publishing
Kenesei, I., R.M. Vago, R.M. & A. Fenyvesi (1998). Hungarian. (Descriptive Grammars). London: Routledge
Megyesi, B. (1998) The Hungarian language: A short descriptive grammar, Department of Linguistics, Stockholm University
Meer over taalstoornissen en taalverwerving in het Hongaars
Babarczy, A. (2006) Negation and word order in Hungarian child language, Lingua 116, pag 377-392
Gábor, B, and Lukács, Á. (2012). Early morphological productivity in Hungarian: evidence from sentence repetition and elicited production. Journal of Child Language, 39, pp 411-442.
Kas, B. Lukács, A., (2012) Processing relative clauses by Hungarian typically developing children. Language and cognitive processes, 27:4, 500-538
Leonard, L.B. (1998). Children with specific language impairment. Cambridge, MA: The MIT Press.
Leonard, L.B. (2000). Specific language impairment across languages. In: V.M. Bishop & L.B. Leonard (eds.) Speech and Language Impairments in Children: Causes, Characteristics, Intervention and Outcome, 115-129. East Sussex: Psychology Press.
Leonard, L.B. (2012) Tense and Aspect in childhood language impairment; contributions from Hongarian, Applied Psycholinguistics, 33, 305-328
Lukács, Á et al (2009). The Use of Tense and Agreement by Hungarian-Speaking Children With Language Impairment, Journal of Speech, Language, and Hearing Research, Vol. 52 pp. 98–117
Lukács, A., Leonard, L.B. & Kas, B. (2010) The use of noun morphology by children with language impairment: The case of Hungarian. International Journal of Language & Communication Disorders, 45 (2)
Lukács, A., Leonard, L.B. & Kas, B. (2013) Case marking in Hungarian children with specific language impairment. First Language, 33, 331-353
MacWhinney, B. (1974). How Hungarian children learn to speak. Unpublished doctoral dissertation, University of California, Berkeley.
MacWhinney, B. (1976). Hungarian research on the acquisition of morphology and syntax. Journal of Child Language, 3, 397-410.
MacWhinney, B. (1985). Hungarian language acquisition as an exemplification of a general model of grammatical development. In D. Slobin (Ed.), The cross-cultural study of language acquisition. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum.
Orgassa, A. (2009). Specific Language Impairment in a Bilingual Context: The Acquisition of Dutch Inflection by Turkish-Dutch Learners, Utrecht: LOT dissertation series 220
Piper, T. Phonological processes in ESL five-year-olds, ATESL/TESL conference 1982, Edmonton, Canada
Vinkler, P. & C. Pleh (1995). A case of a specific language impaired child in Hungarian, In: M. Kovacevic (Ed.), Language and language communication barriers: Research and theoretical perspectives in three European languages, 131-158, Zagreb: Croatian University Press
Overige gebruikte literatuur
Baddeley, S. & A. Voeste (2012), Orthographies in Early Modern Europe, Berlin: Walter de Gruyter GmbH & Co.
Beuls, K. (2011). Construction sets and unmarked forms - a case study for Hungarian verbal agreement. In Luc Steels (Ed.), Design Patterns in Fluid Construction Grammar. Amsterdam: John Benjamins.
Kenesei, I. (2001), Criteria for auxiliaries in Hungarian, In: I. Kenesei (ed.), Argument structure in Hungarian, Akadémiai Kiadó, Bp., 2001, 73-106.
Gilles, S. Schaerlaekens, A. (2000) Kindertaalverwerving. Een handboek voor het Nederlands. Martinus Nijhoff, Groningen.
Lewis, M. P. (ed.) (2009). Ethnologue: Languages of the World, Sixteenth edition. Dallas, Tex.: SIL International. Online version: http://www.ethnologue.com/.
Ministry of national resources of Hungary (2011) The system of education in Hungary.
Rietveld, A.C.M. en V.J. Van Heuven (2009), Algemene Fonetiek, Uitgeverij Coutinho.
Rounds, C. & E. Sólyom (2002) Collogquial Hungarian: The Complete Course for Beginners, London: Routledge.
Spencer, Andrew (2008) Does Hungarian have a case system? In: Case and Grammatical Relations, Studies in honor of Bernard Comrie. Typological Studies in Language (81). John Benjamins, Amsterdam, pp. 35-56.
Met dank aan
Runa Hellinga freelance journalist, Dagblad Trouw.
Edwin van Schie, Hongaarse School, Haarlem.
véletlen
Table of Contents
Table of Contents